Parabel van een zaadje

Bijgewerkt: aug 22

De komende tijd neem ik je graag mee doorheen een reeks krachtverhalen. Verhalen spreken rechtstreeks tot je hart. Ze raken je tot in het diepste van je kern. Ze vertellen je over geheimen tot transformatie.


Als eerste verhaal koos ik voor de 'Parabel van een zaadje', geschreven door Dory Siebinga-Geertman. Laat je meevoeren door het verhaal van Zaadje en herinner je jouw essentie. Voel, ervaar wat dit verhaal met je doet.



De vertelling is een verkorte versie van het originele verhaal en omvat de essentie. Hieronder kan je de verkorte versie van de parabel zelf lezen.


Parabel van een zaadje


Er leefden eens zaden, die erg trots waren op hun bruine velletje.


Iedere dag poetsten zij hun velletje ijverig, want als het blonk waren zij opgetogen over de glans. Maar die glans duurde nooit lang, zodat zij iedere dag opnieuw hun velletje moesten opblinken. Als ze na een dag hard werken, ’s avonds samen kwamen, deden ze niets anders dan klagen en zeuren tegen elkaar over hun velletje en over de glans die nooit lang duurde. Ze vroegen zich af of ze niets uit konden vinden wat hun velletje een eeuwige glans kon geven.


Een jong zaadje zat een beetje apart, stil op een steen. Iedere avond herinnerde hij zich de woorden van zijn moeder: 'er is een kiem diep in je binnenste, je moet deze laten ontkiemen en laten uitgroeien, dan zal er iets wonderlijks met je gebeuren.'

Op een avond, toen zijn broers weer aan het discussiëren waren over het perfecte poetsmiddel, ging hij naar hen toe. Hij vertelde ze over de woorden van de moeder.

'Weten jullie soms wat ze betekenen?' vroeg hij hun. De broers luisterden wel naar hem, maar vonden het maar rare praat. 'Dat zal je wel gedroomd hebben! Een kiem in ons binnenste? Daar geloven wij niets van. En hoe wil je die eruit laten komen? Dan moet je je mooie velletje kapot maken.' Nee, zij geloofden er niets van. Het jonge zaadje werd boos. Hij was er zeker van dat de moeder zelf het hem verteld had, toen ze hem nog droeg.


De volgende dag ging hij niet aan het werk. Hij dacht bij zichzelf: 'ik heb ander werk te doen, ik moet de woorden van de moeder leren begrijpen.'

Na een paar weken, merkte hij opeens dat zijn velletje niet meer zo hard was. 'Ahh, door al dat poetsen bleef het zo hard', dacht hij bij zichzelf. Maar als het nu nog zachter wordt… wat dan? Want ondanks het feit dat hij zich al een hele tijd niet meer met zijn buitenkant had bezig gehouden, kon hij maar moeilijk wennen aan het idee dat zijn huidje open zou moeten gaan om de kiem te laten uitgroeien. Angstig vroeg hij zich af: 'wat zal er dan toch van mij worden? Wat zullen de anderen wel niet van mij zeggen?'


Terwijl hij in gedachten verzonken was, kwam het aller-oudste zaadje aangewandeld. Hij bleef staan en keek het jonge zaadje aan. 'Je bent toch niet ziek? Je ziet er zo onverzorgd uit! Ik denk, dat je al in weken niet meer gewerkt hebt of ben jij soms lui?' vroeg hij streng aan het jonge zaadje.

Het zaadje schrok en antwoordde met een benepen stemmetje: 'neen, hoor – ik ben aan het denken, ik denk de hele dag lang.'

'En denk je daarmee je eeuwig, glanzend velletje te verkrijgen? Je bent nog doffer dan de rest! Als je zo doorgaat, zul je nog eens ontkiemen!' antwoordde het aller-oudste zaadje.

'Ontkiemen? Wat betekent ontkiemen?'


Het oude zaadje had er al spijt van dat hij dat woord genoemd had. Het was hem ontglipt voor hij er erg in had. Eigenlijk wist hij zelfs niet meer dat hij dat woord nog kende.

'Alstublieft, vertel het mij, ik probeer het al weken te begrijpen.'

Het oude zaadje bekeek het jonge zaadje en zag dat het vastbesloten was te ontdekken wat er met ontkiemen bedoeld wordt. Hij kon niet zeggen dat hij geen tijd had om het te vertellen. 'Goed, goed' mompelde hij, 'maar niet te lang, morgen moet er weer gewerkt worden. Als je ouder bent, kost het poetsen nog meer inspanning en duurt het nog langer ook.'

Ze zaten samen op de steen en praatten met elkaar over de kiem in je binnenste. Het oude zaadje vertelde: 'ik herinner mij iets dat je misschien kan helpen ontdekken wat dat woord betekent. Mijn moeder, heeft mij ooit lang geleden het volgende gezegd: als je ontkiemt, ga je de verbinding vormen tussen hemel en aarde. Maar ik begrijp niets van die woorden en ik ben te oud geworden om er nog moeite voor te doen.' Hij stond op en vertrok naar huis.

Toen het oude zaadje uit het oog verdwenen was, legde het zaadje zich neer om te slapen. Die nacht had hij een droom: hij zag een plek voor zich, waar de grond warm en zacht is en waar het soms uit de hemel regent

Wakker geworden, haalde hij zich de droom weer voor de geest. Wat verlangde zijn hart ernaar om op zo’n plek te wonen! 'Heb ik hier al die tijd op een steen gezeten, dacht hij, een koude, harde steen. Warme, zachte aarde en regen uit de hemel, dat heb ik nodig om mijn kiem te laten groeien!'

Hij besloot op weg te gaan. Maar moest hij niet eerst zijn huid oppoetsen? Zo dof kun je de weg toch niet op? Het zaadje bekeek zijn huid nauwkeurig – hij was mooi gespannen en voelde zacht aan met daaronder de kiem. 'Nee, ik ga, ik ga zo', zei hij tegen de steen en hij had zich nog nooit zo opgewekt gevoeld.


Na een dagenlange tocht zag hij in de verte hoge, groene gestalten en zo nu en dan kwam hij langs kleine groene dingen. Het zijn geen stenen en het zijn ook geen zaden.

Ze buigen naar hem toe, hij kijkt zijn ogen uit. Het wordt alsmaar warmer en de lucht straalt helder blauw. Dan is er ook nog het fluiten dat hij steeds beter gaat horen. Het komt hem bekend voor, alsof hij die klanken al eerder heeft gehoord. De wind koelt met zachte strelingen zijn bezweten huid.

'Wauw, het lijkt wel alsof alles mij welkom heet.'

Als hij weer een nacht geslapen heeft, kan hij bijna niet meer opstaan. Hij is dikker geworden. Zijn bruine velletje raakt in paniek en roept 'ga terug, als je verder gaat zal ik nog barsten!'

Het zaadje hoorde de paniek in het velletje, maar liet zich niet van de wijs brengen en stelde het velletje gerust. Hij ging verder op pad.

Plotseling stond hij aan de oever van een stroom met aan de overkant de groene gestalten. Ze knikken hem bemoedigend toe. 'Ik ben een zaadje en wie zijn jullie?' zei hij tegen hen.

'Wij zijn bomen', antwoordden ze met een machtig geruis.

Het zaadje antwoordde verwonderd: 'wat hebben jullie een kracht en jullie groeien naar de hemel!'

De bomen lachten naar hem en dat gaf hem de moed om nog een vraag te stellen: 'zijn jullie altijd zo geweest?'

'O nee', antwoordden zij, 'eerst waren wij zaden.'

Overdonderd vroeg het zaadje: 'zaden? Zaden zoals ik?'

De bomen knikten verheugd.

Dus als ik ontkiem, word ik een boom – stroomde het door hem heen.

Ergens dichtbij begint een vogel te zingen.

Heel aandachtig kijkt het zaadje naar de bomen – zij hebben hun sterke wortels in de aarde, hun stam groeit omhoog en hun takken reiken tot aan de hemel.

En terwijl hij daar zo stil staat, geheel vervuld van het verlangen om ook uit te groeien en boom te worden, merkt hij niet dat hij in de stroom terecht is gekomen.

Pas als hij zich opgenomen voelt, begrijpt hij, dat het nu begonnen is. Zijn huid zal nog zachter worden en zich gaan openen om de kiem te laten ontwikkelen.

Zo zal de boom, die in hem verborgen zit, gaan groeien.

Hij laat zich meedrijven met het doorschijnende water en weet dat het hem brengen zal naar de plek waar hij wortel kan schieten.


Raakt dit verhaal jouw hart? Deel het verhaal met je vrienden en de wereld 💗

50 keer bekeken